All posts by Annemarie van Ginkel

Winterspelen

Het begon afgelopen zaterdag op de tennisbaan. Mijn debuut was het, ik had nog nooit op het gravel gestaan met een net en lijnen en regels en alles. Er was meteen maar een toernooi dat après-ski heette, terwijl er van sneeuw of latten geen sprake was.

We speelden dubbel en de mij toegewezen partners gingen zuchten nu bleek dat ze met mij moesten. Daar ging de kans op winst en punten! De winnaar zou naar huis gaan met een weinig begerenswaardige muts van acryl met rendieren erop. Toch waren de meeste deelnemers bereid om tot het uiterste te gaan om hem te bemachtigen. Zelf had ik het druk met begrijpen waar ik mij moest ophouden op het veld. Elke keer als ik mijns inziens een strategisch fijne plek had gevonden moest ik weer ergens anders heen. Ja, soms zelfs naar de overkant van het net. Mijn handen had ik eraan vol en dan moest ik ook nog een racket vasthouden.

Mijn medespeler met de meeste ambitie om te winnen parkeerde mij in een onaanspeelbare hoek, ergens links en vlak bij het net, waar de bal normaal gesproken nooit komt. Na het eerste half uur had ik het meest pijn aan mijn nek omdat ik toch wel graag naar de bal  wilde kijken. Toen kwam de wind mij tegemoet. De storm. Ineens sloegen de tennisballen, aanvankelijk op weg naar mijn dubbelpartner, de puntenjager, midden in de lucht de hoek om, richting mij. Het gebeurt wel vaker dat mensen in hun onnozelheid precies het goede doen. Ik tikte het aansuizende projectiel van bovenaf vriendelijk op zijn bolletje. BAM!! 15 punten tegelijk! Het gaat hard hoor, bij tennis. Toegegeven, ik kon er betrekkelijk weinig aan doen, maar voelde tóch even de neiging om mijn shirt zo half over mijn hoofd te trekken. Gelukkig deed ik dat niet. Dat hoort bij een andere sport.

Niemand die met mij had gespeeld kreeg de muts. Wel kregen we allemaal bier en bitterballen, ook iets wat ik niet per se met skiën associeer, maar ook dat heb ik nog nooit gedaan.

Skiën! Dat kan ik vast erg goed! Er valt niets bij uit de lucht, je weet waar je heen moet (naar beneden namelijk) en er is geen net bij. Bovendien heb je al een muts op nog voor je eraan begint! Daar kun je mee aankomen bij de après-ski. Kan God het dan nu, na al dat waaien, eens een poosje laten sneeuwen? En mij een muts bezorgen? Of moet ik die eerst zelf winnen bij het après-ski toernooi?

Gelijk of vrede

Als je ergens echt iets mee moet in het leven, dan blijven de lessen je achtervolgen tot je ze geleerd hebt. Dit fenomeen neem je het gemakkelijkst waar bij anderen. Het is die vriendin die met jouw steun na een uiterst pijnlijk proces eindelijk van die foute man af was. En nu, twee maanden later, stelt ze haar nieuwe vlam aan je voor en waratje! Precies zo’n type weer. Wat doe je? Haal je vast wijn en zakdoeken in huis? Of wijs je haar de deur? Het is je broer die alweer op het punt staat zich vol enthousiasme in een dubieus financieel avontuur te storten terwijl hij de schulden die het vorige met zich meebracht nog niet helemaal te boven is. Ben je blij voor hem? Of ga je de zuurpruim uithangen? Deze mensen weerspiegelen waarschijnlijk blinde vlekken bij onszelf. Onze reactie, toeschietelijk of afwijzend, maakt bijzonder weinig uit. De les blijft terugkeren totdat de betrokkene hem geleerd heeft.

Terwijl ik dit schrijf staat de wereld in brand. We struikelen over onze woorden in een poging om de collectieve verontwaardiging te verbaliseren. Drie nietsontziende types richtten een bloedbad aan ten kantore van ‘les enfants terrible’ van een krantje met opruiende cartoons in Parijs. We zijn het er allemaal over eens : zij zijn fout en wij zijn goed. Alleen denken de daders en hun sympathisanten daar natuurlijk anders over. Begrijp me goed, ik voel bij mij van binnen een diepe afkeer van het met geweld kracht bij zetten van je gelijk, of ik dat gelijk nou kan begrijpen of niet. Maar er zijn bij mij ook wat andere vragen gerezen : Zijn er ook andere platforms voor de pijn van deze mensen? Kunnen ze ergens op een democratische of waardige manier terecht met hun grieven? Hoe is het om elke dag, jarenlang, bedekt of openlijk beledigd te worden?

Ook ik voel me onprettig bij mensen die met stelligheid hun waarden aan mij proberen op te dringen. Maar hoe zit het dan met mij? Doe ik niet hetzelfde? Mijn waarden zijn ook vanzelfsprekend voor mij. Ik ga niet de straat op om tegenstanders van zwarte piet oneigenlijk te bejegenen. Wel ben ik verontwaardigd wanneer iemand te laat komt op een afspraak. Waar ligt de grens?

Het hele voorval inspireert me vandaag om naar mijn eigen blinde vlekken op zoek te gaan. Welk drama herhaalt zich in mijn leven en wat is mijn aandeel daarin? Wat doe ikzelf om dat drama te creëren? Ik heb behoefte aan meedoen, erbij horen. Tegelijkertijd geef ik niet om status, weet ik niets van mode en permitteer ik het mij om te doen waar ik zin in heb. Als mensen daar aanstoot aan nemen ben ik geneigd om te denken dat zij minder ruimdenkend zijn dan ik. Deze gedachte, of dit oordeel, is ongetwijfeld waarneembaar in mijn houding, gedrag, of woordkeus voor de ander, die daar vanzelfsprekend op reageert. Dan ga ik, gekwetst en wel, zitten wachten tot die ander spontaan verandert en anders geef ik hem de schuld van min misnoegen. Dat werkt dus altijd nooit. Ook de andere optie, de schuld aan mezelf geven en mijzelf daarvoor op mijn kop geven leidt tot verdere verwijdering. En niet, wat mijn behoefte was, tot verbinding met die ander.

Liefdevolle belangstelling voor mezelf en voor de ander brengt me verder. Nu snap ik alles veel beter, blijf ik in contact en leer ik eindelijk wat ik al die tijd over het hoofd zag. Liefdevolle belangstelling is het antwoord, maar veel gevraagd wanneer de pijn te groot is, zoals over Parijs. Toch is het belangrijk om de les te leren, anders blijft die zich herhalen.

 

Mannetjes

Ondanks mijn inspanningen op het gebied van yoga en meditatie is het begrip “je thuis voelen” mij nog altijd onbekend. Zo’n thuisgevoel zit van binnen, dat weet ik natuurlijk wel. Maar aangezien ik het bij mij van binnen nog steeds niet vind zoek ik het in de buitenwereld. Op de een of andere manier verhuis ik al jaren zo rond de kerstdagen. Ik raad U dat af. Het komt goed natuurlijk, maar moeizaam. God en iedereen is met vakantie. Het wordt ieder moment donker, net als je een halve muur geschilderd hebt en o ja, er is nog geen lamp, morgen verder.

‘s Anderendaags blijkt het nieuwe huisje bij daglicht behept met gebreken. Uiteenlopende gebreken. Een bedrijf gaat daar in z’n algemeenheid over en verdeelt de klussen onder zijn onderaannemers, gespecialiseerde mannetjes. “Losse elektriciteitsdraadjes in de douche? Nee, dat doe ik niet, ik ben de loodgieter.” Het is mij ten ene male onduidelijk wat ik van welk mannetje kan verwachten. Ik geef ze daarom koffie en ik zit het uit. Er is er een bij die bij het herstellen van de anti-inbraakstrip mijn voordeur dusdanig ontwricht dat die niet meer open of dicht kan. Hij praat onophoudelijk tegen mij tijdens de uitvoering van zijn dubieuze vakmanschap : “Ja, eigenlijk doet een collega van me dit soort dingen altijd, maar die zit nou thuis. Hij had overuren he? Die moet je wel opmaken want je kunt ze niet meenemen. Dat is zonde toch? Nou voor mij is t ook nog maar één dagje..

Voor ik het weet is hij vertrokken, mij achterlatend met een in onbruik geraakte voordeur. De loodgieter is er nog, maar die kan de deur niet maken. Hij werpt wel een blik op het luchtverversingssysteem, het raam in de slaapkamer dat niet dicht kan en het kapotte glas. “Dat is voor de schilder!” verklaart hij.””En de toiletpot?” vraag ik. Zoiets lijkt me wel iets voor de loodgieter.”Die staat doorgestreept” zegt de loodgieter. Hij toont me zijn opdrachtbon en het is zo. De toiletpot in mijn nieuwe huis die volledig verkleurd is door een nare bruine aanslag moest worden schoongemaakt volgens de woningbouwvereniging, maar op deze opdrachtbon staat de klus doorgestreept. Het mannetje voelt zich derhalve niet meer verantwoordelijk en vertrekt, mij ontredderd achterlatend.

Terug naar de woningbouwvereniging maar weer, alwaar ze me doorverbinden met de spin in het web, de Opperaannemer. “Nee mevrouwtje, wat denkt u nu? We hebben alleen nog storingsdienst en ook daar houden we zo mee op. We gaan lekker naar huis, naar moeder de vrouw, kalkoen eten. Home is where the heart is.

Noodrem

Het is me een raadsel waarom mensen die geen columnist zijn ergernissen sparen. Als je stukjes schrijft kun je er niet buiten, een fijne ergernis wakkert onmiddellijk het vuur der inspiratie aan. Wanneer je dan, al schrijvende, verlekkerd vilein uithaalt naar de bron van je toorn, kom je aan het eind toch meestal weer bij jezelf terecht. Eind goed, al goed : ergernis opgelost, mensen vermaakt en ook nog een beetje wijzer geworden…. Op die manier zijn ergernissen reuze nuttig.

Maar waarom wentelen mensen die niet schrijven zich in ongenoegens? En delen ze die dan ook nog graag met anderen? Beleeft de mens of de toehoorden plezier aan de moppers? Dat niet. Krijgt hij er dan iets voor? Liefde? Erkenning? Een financiële tegemoetkoming? Een heleboel geluk ter compensatie? Nee, juist niet!! De focus op narigheid trekt meer narigheid aan, dat is algemeen bekend. Misschien niet eens in objectieve zin, maar de fixatie op pech maakt dat de verongenoegde eventuele aangenaamheden niet eens opmerkt. Op deze manier treedt de wet van Murphy in werking. Voorbeeld?

Er was een bommelding op het station van Utrecht, om 19.30 ‘s avonds. De naweeën van deze calamiteit zijn nog tot halverwege de nacht na te voelen, tot ver buiten de randstad. In Arnhem stap ik in een trein, tezamen met een dozijn O.V. slachtoffers, qua gemoedstoestand variërend van verongelijkt tot in blinde paniek en alles daartussen. De conducteur voelt de bui hangen en sluit zich op in zijn privéhokje. In mijn coupé zitten twee geagiteerde dames op leeftijd. Ze kwetteren onafgebroken hun misnoegens tegen elkaar, beide tegelijk, zodat ik de enige luisteraar ben. De verbale aantijgingen gaan door, ook als ze opstaan en postvatten bij de deur, lang voor station Velp. Gezamenlijk staan ze aan de spoorzijde achter het glas. De trein mindert vaart en stopt. “Station Velp” klinkt het door de luidspreker. De kordaatste van de dames drukt ferm op de gele knop. Er gebeurt niets. Ze drukt op de blauwe. Nog niets. Nu drukt ze 10, 12, 18 keer driftig op beide knoppen, zonder enig resultaat. “Druk jij eens?!” vraagt ze haar vriendin. Die drukt ook. Vaak en hard.. De dames worden bozer. Dan zet de trein zich weer in beweging. “Wel heb je ooit!” Het oudste dametje spreekt nu op luide toon.”Dit geloof je toch niet?!!” De ander meent :”Dit pikken we niet.” en ze begeeft zich naar de noodrem. Van lieverlee zijn de overige reizigers opgehouden met mokken en hangen over de leuningen van hun stoel om te zien of ze het echt zal doen. Ze doet het. De trein komt abrupt tot stilstand. De conducteur moet komen. Hij moet door de haag van boze reizigers deze zoveelste vertraging van vandaag komen oplossen. De dames uitleggen dat ze er wel uit hadden gekund, in Velp, maar aan de andere kant, aan de perronzijde. De dames willen dat de trein terug zal gaan. In plaats daarvan krijgen ze een bekeuring. Volgens mij kunnen ze beter zelf gaan schrijven.

Ontheiliging

Ach, die zwarte-pietendiscussie, dat is zooo 2013! Laten we het eens over de goede sint hebben. Acrobaten zijn drie weken per jaar verzekerd van werk, dus ik heb in de 25 jaar dat ik aan acrobatiek doe al meer dan 100 sinten van dichtbij meegemaakt. Uit ervaring weet ik dat de kwaliteit zeer wisselend is. Ik vind een goede sint nogal belangrijk, dus ik screen ze onwillekeurig het hele jaar door. De stem is belangrijk, het postuur, de schoenen, maar het voornaamste kenmerk van de sint is toch zijn vriendelijke waardigheid.

Kom daar nog s om, vandaag de dag! Veel van mijn  sinten waren voorzitter van de plaatselijke winkeliersvereniging. De middenstandsmentaliteit die daarmee gepaard schijnt te gaan is ook na het omhijsen van de tabberd niet geheel verdwenen. Tot mijn afgrijzen zag ik eens zo’n onwaardige nepperd een frikandel speciaal in zijn baard stoppen, nou vraag ik je! En dan straks met kindjes op schoot naar uien en mayonaise stinken, nee, zo gaat dat niet. Sinterklaas eet niet. Of, als het echt moet, een boterham met een plakje kaas erop, met mes en vork. Grofgebekte sinterklazen met een achterbuurtaccent zijn ook uit den boze. Door het jaar heen mag ik zulks graag horen, maar niet uit de mond van sinterklaas, alsjeblieft zeg.

De sint hoort erudiet en welbespraakt te zijn, hij is een goedheiligman immers. Een goede sint beschikt over een genuanceerde, oordeelloze woordenschat. “Krijg de pleuris, rot op met die kutkar”,  zoals Sint Nicolaas in Amsterdam vorig jaar brulde, hoort niet in het vocabulaire van een zichzelf respecterende goedheiligman. Zo denk ik erover, En als U het niet met mij eens bent, ga ik gaarne de discussie met U aan.

Maar zoals alles waar we niet op tijd een halt toe roepen neemt de sintontwaarding hand over hand toe. In de Julianastraat alhier stonden vanmorgen twee jeugdige sinterklazen met gekruiste staffen, gelijk degens, elkaar vriendschappelijk naar het leven. : Kléng, kláng” sloegen de degens tegen elkaar, iets waar jongetjes lol aan beleven. De mijter van de één zat scheef over zijn oor, de mantel van de ander had een scheur opgelopen in  het gevecht. Op de vraag van de buurman of ze geen baarden nodig hadden antwoordden zij eensgezind :”Nee, want wij zijn pas tien!” Mijn zwartepietenhart verbleekte ervan.

To all my relations

Tijdens mijn studie sjamanisme ontdekte ik hoe diep verwant wij zijn aan alles. Vooral aan alles buiten. Stenen bijvoorbeeld zijn onze allereerste voorouders. Een docent droeg me eens op om me voor te stellen hoe de steen zo geworden is en waar hij vandaan is gekomen. Sindsdien bekijk ik stenen met andere ogen. Er zijn er inmiddels een heleboel in mijn huis, waarmee ik, vervuld van eerbied, regelmatig spreek.

Het spreekt vanzelf dat ik mij ook aandachtig verhoud tot de kamerlinde binnen en alle planten en bomen buiten.”Het staande volk” noemen wij die, en we zijn ze een boel dankbaarheid verschuldigd. Zij zorgen immers voor de zuurstof in de lucht, en hun groeisels eten wij. Mijn verwantschap met het stenen- en het staande volk is relatief gemakkelijk te onderhouden. Ze hebben niet veel nodig : een beetje aandacht, een liedje, wat water, dat is het wel zo’n beetje. De verbinding met dieren vraagt wat meer. Zo heb ik krachtdieren. Gidsen die mij in mijn dromen hun vermogens lenen zodat ik kan vervellen, of ver zien, of hoog vliegen. Ieder dier heeft unieke eigenschappen die de mijne versterken, spiegelen of in balans brengen.

Dieren komen altijd precies op het juiste moment om je te vertellen wat je moet weten. De spirits gebruiken dieren om boodschappen door te geven aan ons mensen, die we dreigen te missen omdat we teveel denken. Dit is mijn gedachtegoed en daarom kan ieder dier rekenen op mijn onverdeelde aandacht. Vorige week was er een sprinkhaan in mijn bed (het is november), die sprak over grote griezelige sprongen voorwaarts. Ik heb ook een reebok in de huiskamer gehad. Als een mug mij prikt wens ik hem deemoedig “eet smakelijk”.

Des te opmerkelijker is het wanneer je mij gadeslaat als ik hond ontmoet. Ik kan niet goed uit de voeten met hond. Ik denk dat dat komt omdat hond zoveel nodig heeft van de mens. Na de puppycursus wacht hij de rest van zijn hondenleven tot zijn baasje zegt wat hij moet doen. De hond moet veel :”Zit!” en Äf!” en “Dood!” en “Hierrrr!!”

Ik mag graag door het bos rennen. Dat is goed voor mijn conditie en mijn innerlijke rust. Soms kom ik daarbij hond tegen. Mijn rennen inspireert de hond om hard blaffend achter me aan te komen, de scherpe tanden op dijhoogte. “Hij doet niks hoor!”roept zijn baasje van verre. Maar ik vind het niet niks. Misschien denkt de hond dat ik geboefte ben die zich uit de voeten maakt. Zo te zien is de hond even zwaar als ikzelf, alleen heeft hij veel meer tanden. Ik word daar bang van, maar dat mag niet van het baasje, want :”dat voelt de hond!!”

Dat is de omgekeerde wereld. Het beest rent met tanden en al achter mij aan en dat voel ík, zo zijn de kaarten geschud. Als de hond niet tegen bange mensen kan, dan moet de hond de mensen niet bang maken! Wat bezielt dat baasje ook om zo’n door mensen bedacht ras ter grootte van een kalf door het bos te slepen?

Dan herinner ik mij die andere spirituele wet: de hond weerspiegelt natuurlijk een latente, in mij huizende angst! Voor volgzaamheid of voor ontaarding of zo. Iets om over na te denken. Dank je wel hond.

Onderweg

Een gebrek aan zelfvertrouwen kan ook veel moois brengen. Als kind al was ik vaak niet onder de indruk van mijn eigen plannen. ‘Gaan tekenen?”Nee. Ik ben te slordig en dan maak ik weer een prul waar ik ongelukkig van word.”Plaatjes draaien dan?”Ik ken alle plaatjes al uit mijn hoofd.”Yahtzee spelen in je eentje!” ; Saai!!’

En dan ging ik dus op avontuur. Om de goden de gelegenheid te geven mij met iets groots en meeslepends te verrassen. Ik bedacht dan zo goed mogelijk niet waar ik heen zou gaan op mijn fiets of step. Dat is nog best moeilijk, maar ik kon het goed, en nog steeds. Zodra ik bedenk dat ik linksaf wil gaan, ga ik gauw de andere kant uit. Net zo lang totdat de impuls om een richting in te slaan ergens anders vandaan komt dan uit mijn hoofd. Denken is zinloos en dodelijk vermoeiend, vooral wanneer je het, zoals ik, erg goed kunt. Je kunt namelijk alleen maar dingen bedenken die je al weet en op die manier betreed je, al denkende, als een muis in een tredmolen steeds weer gebaande paden. Daar komt nog bij dat ik een groot vertrouwen heb in de voorzienigheid. Groot mysterie. Wakan Tanka. God, als je wilt. De schepper of schepster heeft de hele natuur zo wonderwel subliem in elkaar gezet, daar kan ik met mijn denkhoofd niet aan tippen.

Vandaar dus die gemakkelijke overgave. Als kind ging ik op de step, als tiener liftend en tegenwoordig met mijn eigen auto. Nog altijd vol verwachting en nieuwsgierigheid naar wat het leven nu weer voor leuks voor mij in petto heeft. En toch werkt het niet helemaal. Het Ene Ondeelbare wil best precies de juiste uitdagingen op mijn pad strooien, maar dan moet ik wel eerst zelf een focus hebben. Zonder dat weet onze lieve beer ook niet wat ie moet doen. Dan wordt het steeds later en rij ik nog steeds op kleine landweggetjes in een provincie waar ik de weg niet ken. Met zorgen over een slaapplek en water en geen W.C.papier. Uiteindelijk komt er altijd weer een einde aan de nacht en dan weet ik het weer : ik ga naar huis, poes aaien, bijslapen. Licht verwonderd over dat het wéér niet gebeurd is : de grote liefde tegengekomen, een gastrol in goede tijden aangeboden gekregen of het perfecte huis gevonden. En dan realiseer ik mij dat ik toch een plan had. Alsof het Nirwana niet zou weten wat goed is voor mij. Ik ga gewoon lekker naar huis, zet een muziekje op en zoek mijn potloden. Of de dobbelstenen.

Gehaktballen

Het is nog maar een kleine 40 jaar geleden dat mijn ouders altijd schaamteloos deden waar ze zelf zin in hadden. Niet dat dat voor ons kinderen een onverdeeld genoegen was. Zo herinner ik mij de autotochtjes op vrijdagavond op weg naar familie in het verre Zuid Beveland. Het was dan laat en koud, mijn ouders rookten zware Brandaris met de raampjes dicht. Achterin was het benauwd en oncomfortabel want de achterbank lieten wij thuis, dan kon er meer in de auto. Een van de genoegens van zo’n weekend was namelijk alweer een bezoek aan een rommelmarkt vol muffe, ouwe meuk waar ons huis toch al overvol mee stond. Op de heenweg zaten we dus nog op de carrosserie. Mijn zusje met een enorme braadpan vol gehaktballen op schoot, mijn moeders verrassing voor de familie. Zelf droeg ik de verantwoordelijkheid voor een plunjezak vol beddengoed. Een groot en onhandelbaar pak, maar het stonk minder erg dan de pan. Eenmaal gearriveerd kropen de volwassenen met een zucht van welbehagen achter de fles jonge jenever. Wij mochten, als we erge honger kregen, naar de patatzaak.

Ook door de week zat bij ons met enige regelmaat de huiskamer vol. Aangezien iedereen de sleutel aan de buitenkant in de voordeur had zitten kwam het bezoek zonder bellen. Ze waren dan ook vaak elders, maar soms zat de buurt bij ons, gewapend met beugelflessen Grolsch en whiskey. Die middagen liepen zelden goed af. Meestal zat er iemand aan de partner van een ander en hoewel iedereen vond dat dat moest kunnen kwamen er toch problemen van.

Mijn ouders hadden zich ontworsteld aan de spruitjeslucht van de jaren ’50 en alles was goed zolang het maar niet burgerlijk was. Hoewel ik diep jaloers kon zijn op kinderen die op tijd thuis moesten zijn of die op de padvinderij zaten kon ik ook voluit genieten van de hele zomer op blote voeten.

Wanneer de wind uit een andere hoek is gaan waaien weet ik niet.Ik constateer alleen ineens overal hekken en bordjes en rubberen tegels onder het klimrek. Wie nog rookt kan rekenen op de pek en veren van deze tijd : rücktsichtlose kritiek en een verhoogde ziektekostenpremie. Diezelfde generatie die destijds zo prettig onbekommerd op de dam lag staat nu vooraan met waggelende wijsvinger de gemeenschap terecht te wijzen. Over alles. Slordige tuintjes, fietsen zonder licht, zingen op straat en over hoe de mensen hun vuilnis buiten zetten. Als er iemand slachtoffer is geworden van een misdrijf worden wij op de nationale televisie opgehitst om de schuldigen te straffen. Zo hard mogelijk. Hoezo? Wordt het verdriet van een slachtoffer minder wanneer de dader zonder wederhoor aan de schandpaal wordt genageld? Sinds wanneer hebben we geen kritiek meer op vergelding? Het was toch een teken van beschaving dat we ons niet meer lieten leiden door primaire gevoelens als wraak en territoriumdrift?

Je hoort mij niet zeggen dat vroeger alles beter was. Dat was het niet. Maar ik vind het wel jammer dat we niet meer zelf onze eigen verantwoordelijkheid mogen nemen. En er is best veel leuks verloren gegaan : het ban-de-bom teken, de zelfgeschilderde bloemen op auto’s, mensen die om niks met elkaar muziek maken op straat en een vuur op het plein met alleen hout en geen koelkasten erop. Ik ben uiteindelijk evengoed blijmoedig groot geworden. Er had eigenlijk maar één ding echt weg gemoeten uit die tijd, maar dat is er dus nog steeds, nu in de vorm van Mac Donalds : de gehaktballen van mijn moeder.

De geluksformule

Mijn neef heeft van alles teveel of te weinig. Hij is derhalve chronisch ongelukkig. Ondanks het feit dat hij de Geluksformule heeft toegepast. De Geluksformule? ‘Maak van de Nood een Deugd’. Ik heb het verschillende mensen zien doen, en altijd met succes. Een jammerende psychiaterszoon met hypochondrie bloeide op toen hij Jacques Brel ging zingen. Een kindvrouwtje dat alles wilde doen om in het middelpunt van de belangstelling te komen werd peuterjuf. Voorbeelden van mensen die hun nare eigenschappen omzetten in iets waar de wereld, en zijzelf dus ook, iets aan heeft.

De neef in kwestie is vreselijk autistisch, beschikt over een stuitend hoog IQ en het ontbreekt hem aan belangstelling voor ongeveer alles, behalve zijn computer. Derhalve ontwikkelde hij een besturingssysteem dat over de hele wereld dankbaar gebruikt wordt. Hij reist naar Canada en Praag om nerds als hijzelf uitleg te geven. Niet dat het hem iets uitmaakt waar hij is, zolang het maar beschikt over een internetverbinding.

Zijns ondanks heeft mijn neef een heleboel kinderen gekregen, ik denk dat hij zelf ook niet precies weet hoe hij daaraan gekomen is. Zelf begrijp ik dat wel. De vrouw van mijn neef is voortvarend en weet wat ze wil. Hij is niet erg gelukkig met zijn gaven, noch met zijn gezin. Fysiek is hij wel in staat tot spreken, maar hij doet het bijna nooit.

Nou heb ik uitgerekend hém in de arm genomen bij het opvangen van mijn digitale onbenulligheid. ‘Hij is lekker knap in dit alles’ moet ik gedacht hebben. Het is zoiets als een astronaut raadplegen als je wilt leren vliegeren. Een aardige astronaut, dat moet gezegd. Als ik tegen hem uitval klapt hij netjes dicht in plaats van me van repliek te dienen, hoewel dat laatste wellicht leerzamer zou zijn. Als ik de Geluksformule nu eens op mezelf toepas? Dan schrijf ik mijn stukjes met een pen en word daarnaast stand-up comedian, of bokser, of voetbalcoach.

Kanaalzicht

Een tent als deze mijd ik in mijn huidige woonplaats. Te ordinair, te luid, te donker. Maar hier kom ik er graag, om het dialect te horen dat ik uitstekend beheers, maar wat ik vroeger niet mocht spreken. Dan zouden de mensen denken dat ik een verwaarloosd achterbuurtkind was, wat goed beschouwd wel klopte. Kennelijk gaven wij desondanks om decorum, in elk geval qua taalgebruik.

En dat terwijl het Utrechts echt mooi is. Als je Utrechts hoort weet je zeker dat de spreker het hart op de tong heeft. Een bezwaard hart, in veel gevallen. Geen taal waarin het zo goed vloeken is, zelfs wanneer men het vriendelijk bedoelt. Zo weet je zeker dat je erbij mag horen als iemand “mongool” tegen je zegt. Dat is niks ten nadele van mensen met het down-syndroom, gewoon een koosnaam, een codewoord. In Groningen steken ze bijna onmerkbaar een halve wijsvinger omhoog om hetzelfde te zeggen. In Amsterdam weet je het nooit en in Nijmegen word je gewoon genegeerd. Ik heb de regionale verschillen terdege bestudeerd, mede door mijn onhebbelijke gewoonte om telkens te verhuizen naar weer een andere plek waar ik niets te zoeken heb.

Momenteel bewoon ik een kleine stad in het oosten van het land. Ik neem er grofweg 2 bevolkingsgroepen waar : de erudieten en de onverschilligen. Voor beide is er een passende uitspanning. In die voor de erudieten wordt beschaafd en op fluistertoon geconverseerd door mensen in pak of met bergschoenen. In die voor de onverschilligen wordt gezwegen boven glazen doodgeslagen bier en koud geworden bitterballen.

Hier in Kanaalzicht mag je je met iedereen bemoeien. Het gaat vooral over hoe het was en wie dat heeft meegemaakt. De grootste snor weet dat het beste, maar ik kom hier al langer dan hij. Supermongool!