Tweestrijd

Ik ga een bekentenis doen die waarschijnlijk niet tot mijn aanbeveling strekt. Maar het is erg actueel en dus adequaat: ik heb carnaval gevierd en ik heb ervan genoten. Zelfs meer dan eens. Carnaval is natuurlijk een abject feest. De hele goegemeente permitteert zich allerlei perversiteiten, gehuld in boerenkiel of aardbeipak. De bijbehorende muziek is abominabel en het geheel gaat gepaard met veel bier, voor de gelegenheid gerekend in meters.

Hoewel ik van boven de rivieren ben deden mijn ouders hieraan mee. Jaarlijks togen zij naar Breda, gehuld in iets met veel zakken om hun bier in te doen. Een familielid van de koude kant haakte marsmannetjes met enorme penissen. Die speldden zij op hun pak. Ik zwoer bij alles wat heilig is dat ik me nooit tot de polonaise zou verlagen.

Maar op een dag was ik 17 en verliefd op iemand die net als ik in Amsterdam woonde, maar in Maastricht geboren was. Een knappe man, veel ouder dan ik. Hij was kunstenaar en sprak in orakels. De onbereikbaarheid van zijn hart maakte hem onweerstaanbaar. Het werd carnaval, hij ging terug naar Maastricht en ik mocht niet mee. Hij ging het niet vieren, zo zei hij. Bovendien vond hij me te jong om me voor te stellen aan zijn jeugdvrienden maar dat zei hij niet. Ik hield het vol tot maandagochtend. Toen ging ik alsnog met de trein achter hem aan, al was ik nog nooit in Maastricht geweest, had ik geen adres en bestond de mobiele telefoon nog niet. Vanaf Eindhoven begon ik al bier te krijgen. Eenmaal in Maastricht aangekomen was ik zelfs al een beetje verkleed. Ik had hier en daar een hoedje en wat schmink gekregen en ik vond dat ik ermee door kon. De warmte van de zuidelijkste stad van Nederland slokte me op. Ieder pintje werd in glas getapt. Dat ging niet stuk, daar werd en wordt nog steeds goed op gelet. In Maastricht kun je met carnaval overal je lege glas neerzetten op daartoe aan de gevels bevestigde plankjes.

Tot mijn eigen verbazing kwam ik na een aantal uren daadwerkelijk mijn liefde tegen. Die was goed in de tering naar de nering zetten en accepteerde mijn onaangekondigde komst. Wel vond hij dat ik gepaster gekleed moest gaan. Hij wikkelde mij ter plekke in van dat bubbeltjesplastic waar je normaal gesproken breekbare dingen in doet. Een origineel kostuum, maar erg onhandig als ik moest plassen, en dat was vaak. Daags erna was het meteen na het wakker worden alweer carnaval. Of vastelaovend, zoals ze het daar zeggen, ook ‘s ochtends. Een vriendin was Socrates en dus moest ik Plato zijn, hetgeen toen nog een onduidelijke rol voor mij was. In elk geval hoefde ik er alleen een laken bij aan en een beetje ernstig kijken. Zo zag ik het Mooswief de lucht in gaan, in mijn Platolaken bij -4, en ik was gelukkig. De rest weet ik niet meer zo heel goed, alleen dat het wief weer naar benden kwam en dat ik daarvan moest huilen. Dat sloeg nergens op, want de dag daarna gingen we, onder het mom van ‘hering biete’ weer gewoon verder. Toen ik uiteindelijk terugkwam in Amsterdam had ik het gevoel op een andere planeet geweest te zijn. Een hele mooie planeet met muziek en kleuren. Ik draaide Beppie Kraft nog tot in juni.

In mijn nieuwe huis valt een circulaire in de brievenbus. De buurt wordt opgeroepen om de jaarlijkse optocht op te luisteren met carnavalsmuziek en open deuren. De oude afkeer maakt zich van mij meester. Het idee alleen al dat er straks in deze straat, waar ik mij veilig waan, een hossende menigte op wagens van papier machee met pissende mannen erop zal trekken maakt meteen dat ik uitwijkmogelijkheden ga zoeken. Dan krijg ik een bericht van vriend Hans uit Maastricht. “Doe je mee met ridder Hancelot?” vraagt hij? “Ben ik dan Guinevere?” sms ik terug?”Wie is dat?” vraagt hij per omgaande. Ken ik nog iemand in Groningen?

Share and Enjoy:
  • StumbleUpon
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Bookmarks
  • RSS

Leave a Reply