Monthly Archives: February 2015

Vlieland

Op de sociale media kwam een bericht voorbij. Een vertoornd bericht. De schrijver meldde dat het nu de spuigaten uitloopt op Vlieland. Het eiland is het eiland niet meer. Steeds drukker en commerciëler wordt het daar! Hoewel ik de grief begrijp en beaam moest ik er toch om glimlachen.

Op Vlieland ben ik verwekt in een tentje van canvas. Mijn voetsporen staan er letterlijk want mijn ouders drukten elk jaar mijn voetje in het door de zon zacht geworden teer van de pier. Ik leerde er lopen. De halve straat van thuis stond er ook, op Stortemelk, in degelijke tenten met houten haringen in het losse duinzand. Zo was het altijd al geweest en zo zou het altijd zijn. Vanwege mijn conceptie vond ik dat Vlieland een beetje van mij was. De anderen vonden ook allemaal dat Vlieland een beetje van hun was. Iedere zomer was het een dagelijks terugkerend onderwerp van gesprek van baas boven baas. “Toen wij hier al kwamen was er nog niet eens een kampeerterrein!” zei dan bijvoorbeeld iemand. Ik heb dus heel vaak gehoord van dat er  nog geen boot voer tussen Harlingen en Vlieland. Het veer naar Terschelling werd onderweg ge-enterd door een klein bootje. De mensen moesten hun baby’s en de bagage naar de matrozen gooien alvorens zelf over de reling te klimmen, op volle zee! In mijn oren klonken de verhalen zo heroïsch als de ontdekking van America.

Maar toen kreeg Vlieland dus een eigen veerboot en werd voor het eerst verzucht dat het eiland het eiland niet meer was. De vergelijking met Columbus houdt niet op bij de zeeheldenverhalen. De manier waarop wij onze intrek namen op een bepaald deel van het kampeerterrein had iets weg van kolonisatie. We wisten goed hoe alles moest met kamperen. We hadden een primus, een geul om de tent, zéér spartaanse matjes en geen stoel. Als er anderen kwamen, vooral anderen met zoiets verachtelijks als een bungalowtent, dan gingen we met z’n allen zitten kijken hoe de tent werd opgezet. Niet zelden gingen die mensen dan toch maar ergens anders staan. Later in mijn leven ontmoette ik iemand die vertelde dat hij op zijn beurt ons had begluurd, bezienswaardig als we waren met nauwelijks kleren aan en onze lugubere verzameling konijnenschedeltjes en jutspul, maar dit terzijde. Het moge duidelijk zijn dat wij échte Vlielandgangers waren en de anderen niet.

Toch kwamen er steeds meer anderen, en wat nog erger was, steeds meer faciliteiten voor die anderen. Aanvankelijk waren er geen caravans op Stortemelk, om de eenvoudige reden dat er geen auto’s op het eiland mogen. De klad kwam erin toen het bagagevervoer vouwwagens begon te verslepen. Op het oude Vlieland was nooit een bal te doen. We gingen steevast 6 weken en in die tijd 1 keer naar de midgetgolfbaan die al 80 jaar hetzelfde is, 1 keer naar de film in de Bolder die vertoond werd als het meer dan 6 dagen achter elkaar regende en we hadden een abonnement voor de bibliotheek. Dat laatste hielp niet want we hadden alle boeken al gelezen en er kwam nooit een nieuw boek bij.

Nu, onder druk van de anderen, is het eiland veranderd in een soort pretpark. Konden wij nog, met behulp van gejutte en gevonden dingen, onze kampeerplek uitbreiden tot een flink stuk eigen terrein, tegenwoordig zijn er plaatsen met nummers en hekjes. Je kunt je er 24 uur per dag laten bezighouden. Er zijn arrangementen, festivals, nieuwe restaurants en hotels. Je kunt gemotoriseerd over het strand racen, zelfs over mijn voetstapjes. Er speelt altijd ergens een band en als je wilt kamperen in het hoogseizoen moet je 5 jaar van te voren reserveren. De laatsten die nog een baby naar een matroos hebben gegooid zijn op sterven na dood. Ze hebben toch gewonnen, de anderen. Maar we zouden natuurlijk naar Rottum kunnen gaan.

Geloven

Mijn oma was een klein vrouwtje met een grote bril. Ze beschikte over een enorme kennis over de meest uiteenlopende zaken (de Hoekse en de Kabeljouwse twisten!) en zij wist wat wij overal van vonden. Ondanks haar postuur kon ze een flinke pot bier op. “Godsdienst is opium voor het volk!” zei ze dan bijvoorbeeld, en ik knikte. Het was heel zielig voor al die mensen die geloven dat er ergens een soort politieagent op een wolk zit die de hele tijd zegt dat ze alles verkeerd doen. Thuis hadden wij niet Marx, maar wel die poster van een blote vrouw tussen de koeien op de W.C., en dat was net zoiets.

Desgevraagd antwoordde ik dus dat ik openbaar was, want dat stond op de gevel van mijn school. Zo onderscheidde ik me van de katholieken en de protestanten, de islam hadden we nog niet. Toch was ik stiekem erg jaloers op kinderen die naar de zondagsschool gingen. Als ik ze naar buiten zag komen zagen ze er blij uit. Ze hadden samen gezongen en gepraat. Sterker nog : ze hadden naar elkaar geluisterd. Bij ons thuis was dat nooit, daar praatte iedereen door elkaar heen. In het diepste geheim geloofde ik ook van alles. Niet in God, maar wel in kabouters en elfjes en zo. Ook zorgde ik in mijn eentje voor het heil van al mijn dierbaren door nooit op het zwart te stappen bij het zebrapad en er precies 21 seconden over te doen om langs de heg te komen.

In mijn latere leven stond het me vrij om wat ruimdenkender te worden. Op de school voor sjamanisme zag ik alle goden van de hele wereld aan me voorbij trekken. Tot mijn grote vreugde was er zelfs een mannetje uit Nieuw Zeeland bij die naast mijn tent ging zitten en kabouters aanwees.

Ik heb ervaren dat er voorbij mijn denken nog iets is. Wijzer. Onaantastbaar. Aangezien ik geen voorbeeld heb, vul ik dat naar believen in. Ik ga in trance en bevind me tussen archetypen, halfgoden, sprookjesfiguren, engelen of opgestegen meesters. Dieren zijn mijn favoriet. Zwemmen met walvis, vliegen met adelaar, spelen met otter, ik doe dat vaak. Ik ga slapen met een vraag en krijg het antwoord in mijn droom. Als ik iets nodig heb, heling, bescherming of wijsheid, dan zie of visualiseer ik een kleur. Dat werkt zelfs als ik het koud heb. Het is een deel van mijn dagelijkse realiteit geworden. Ik let op tekens in de natuur. Als er een windvlaag opsteekt of een vogel vlakbij me komt zitten vraag ik me snel af waar ik aan dacht. En wat het verschijnsel daarover te zeggen heeft. Een roodborstje in de boom in mijn tuin, en ik vroeg me juist af of de man die ik gisteren ontmoette mij ook leuk vindt! Zo laat ik mij leiden door aanwijzingen van buiten mijzelf… Mijn oma zou zich omdraaien in haar graf, ware het niet dat zij dáár niet in geloofde.

Tweestrijd

Ik ga een bekentenis doen die waarschijnlijk niet tot mijn aanbeveling strekt. Maar het is erg actueel en dus adequaat: ik heb carnaval gevierd en ik heb ervan genoten. Zelfs meer dan eens. Carnaval is natuurlijk een abject feest. De hele goegemeente permitteert zich allerlei perversiteiten, gehuld in boerenkiel of aardbeipak. De bijbehorende muziek is abominabel en het geheel gaat gepaard met veel bier, voor de gelegenheid gerekend in meters.

Hoewel ik van boven de rivieren ben deden mijn ouders hieraan mee. Jaarlijks togen zij naar Breda, gehuld in iets met veel zakken om hun bier in te doen. Een familielid van de koude kant haakte marsmannetjes met enorme penissen. Die speldden zij op hun pak. Ik zwoer bij alles wat heilig is dat ik me nooit tot de polonaise zou verlagen.

Maar op een dag was ik 17 en verliefd op iemand die net als ik in Amsterdam woonde, maar in Maastricht geboren was. Een knappe man, veel ouder dan ik. Hij was kunstenaar en sprak in orakels. De onbereikbaarheid van zijn hart maakte hem onweerstaanbaar. Het werd carnaval, hij ging terug naar Maastricht en ik mocht niet mee. Hij ging het niet vieren, zo zei hij. Bovendien vond hij me te jong om me voor te stellen aan zijn jeugdvrienden maar dat zei hij niet. Ik hield het vol tot maandagochtend. Toen ging ik alsnog met de trein achter hem aan, al was ik nog nooit in Maastricht geweest, had ik geen adres en bestond de mobiele telefoon nog niet. Vanaf Eindhoven begon ik al bier te krijgen. Eenmaal in Maastricht aangekomen was ik zelfs al een beetje verkleed. Ik had hier en daar een hoedje en wat schmink gekregen en ik vond dat ik ermee door kon. De warmte van de zuidelijkste stad van Nederland slokte me op. Ieder pintje werd in glas getapt. Dat ging niet stuk, daar werd en wordt nog steeds goed op gelet. In Maastricht kun je met carnaval overal je lege glas neerzetten op daartoe aan de gevels bevestigde plankjes.

Tot mijn eigen verbazing kwam ik na een aantal uren daadwerkelijk mijn liefde tegen. Die was goed in de tering naar de nering zetten en accepteerde mijn onaangekondigde komst. Wel vond hij dat ik gepaster gekleed moest gaan. Hij wikkelde mij ter plekke in van dat bubbeltjesplastic waar je normaal gesproken breekbare dingen in doet. Een origineel kostuum, maar erg onhandig als ik moest plassen, en dat was vaak. Daags erna was het meteen na het wakker worden alweer carnaval. Of vastelaovend, zoals ze het daar zeggen, ook ‘s ochtends. Een vriendin was Socrates en dus moest ik Plato zijn, hetgeen toen nog een onduidelijke rol voor mij was. In elk geval hoefde ik er alleen een laken bij aan en een beetje ernstig kijken. Zo zag ik het Mooswief de lucht in gaan, in mijn Platolaken bij -4, en ik was gelukkig. De rest weet ik niet meer zo heel goed, alleen dat het wief weer naar benden kwam en dat ik daarvan moest huilen. Dat sloeg nergens op, want de dag daarna gingen we, onder het mom van ‘hering biete’ weer gewoon verder. Toen ik uiteindelijk terugkwam in Amsterdam had ik het gevoel op een andere planeet geweest te zijn. Een hele mooie planeet met muziek en kleuren. Ik draaide Beppie Kraft nog tot in juni.

In mijn nieuwe huis valt een circulaire in de brievenbus. De buurt wordt opgeroepen om de jaarlijkse optocht op te luisteren met carnavalsmuziek en open deuren. De oude afkeer maakt zich van mij meester. Het idee alleen al dat er straks in deze straat, waar ik mij veilig waan, een hossende menigte op wagens van papier machee met pissende mannen erop zal trekken maakt meteen dat ik uitwijkmogelijkheden ga zoeken. Dan krijg ik een bericht van vriend Hans uit Maastricht. “Doe je mee met ridder Hancelot?” vraagt hij? “Ben ik dan Guinevere?” sms ik terug?”Wie is dat?” vraagt hij per omgaande. Ken ik nog iemand in Groningen?

Uitburgering

In deze turbulente tijd mag ik mijn steen bijdragen door gevluchte mensen op te leiden om in dit malle land te kunnen leven en werken. Behalve dat ik dat ervaar als een voorrecht zet het me ook aan het denken over mijn eigen cultuur. Wat zijn er hier eigenlijk veel dingen waar ik zelf niks van begrijp! Sommige zijn relatief onschuldig, zoals de collectieve liefde voor 4-potige, blaffende gevaarten met tanden.

Hoewel, onschuldig… Ik begrijp weinig van hondenbezitters, en dat is dus zo’n 70% van de Nederlanders. Zelf enorm intolerant wanneer het gaat om in de rij staan, in het verkeer zijn of accepteren dat de buren anders zijn, maar als het op de hond aankomt moet ineens alles kunnen. Vanmiddag nog werd ik in mijn hand gebeten door een kolos van een kilo of 50. Ik had een handschoen aan, die de hond van mijn hand trok en hevig begon te bekwijlen. Hij wilde de handschoen niet teruggeven. De mevrouw die bij hem hoorde was een keurige dame met bont aan en goud om. Ze zei niet, wat je zou verwachten :”Het spijt mij, ik zal de handschoen voor u wassen!” In plaats daarvan stak ze een beschuldigende wijsvinger in de lucht. “Hij vindt het niet leuk!” riep ze. Ik was te verbouwereerd om te vragen wát de hond niet leuk had gevonden. Het was me ontgaan, ik was alleen maar bezig geweest met zo onbeschadigd mogelijk langs hem komen. Affijn, ik zal van mijn stokpaard afkomen, maar dat is dus iets wat ik niet begrijp.

Ook vind ik het hebben van, of het verlangen naar een SUV onvoorstelbaar. Een suf is een hoge auto die vreselijk duur en erg vervuilend is, maar waarmee je goed door modderstromen kunt rijden, of door los zand. Hebben wij dat? Nou dan!

Nog kwalijker dan voorgaande voorbeelden is onze grenzeloze behoefte aan controle. Als er ergens een verwarde tiener met een klapperpistool een streek uithaalt dan krijgt hij bij ons geen pak voor zijn broek. Nee, er volgt nationale regelgeving op. Alle politieagenten hun wapens mee naar huis! Nee, dat is lekker veilig. Nog heel even en dan worden we hier, net als in Amerika, door peuters van 3 per ongeluk doodgeschoten.

Ik begrijp dus dat leren om in dit land te wonen niet eenvoudig is. Maar mijn leerlingen zijn er welgemoed aan begonnen. Stralend, open en leergierig zijn ze gestart met de opleiding. Ze zijn zo geïnteresseerd in elkaar en in alles dat het me ontroert. Dat willen we allemaal wel voelen! Tijdens het lesgeven knijpt de mevrouw die naast me zit telkens even in mijn been. Van een van de deelnemers krijg ik een mail waarin staat :’dit is mijn huiswerk. ik vind u lief.’

Deze mensen zijn een dusdanig goed voorbeeld dat ik overweeg om een uitburgeringscursus te organiseren. Voor iedereen met een hond, een SUV of angst voor vreemdelingen. Kom maar bij ons en zie hoe het ook kan. Het huiswerk voor de eerste les is : Schrijf op : Ik vind je lief.