Monthly Archives: October 2014

Onderweg

Een gebrek aan zelfvertrouwen kan ook veel moois brengen. Als kind al was ik vaak niet onder de indruk van mijn eigen plannen. ‘Gaan tekenen?”Nee. Ik ben te slordig en dan maak ik weer een prul waar ik ongelukkig van word.”Plaatjes draaien dan?”Ik ken alle plaatjes al uit mijn hoofd.”Yahtzee spelen in je eentje!” ; Saai!!’

En dan ging ik dus op avontuur. Om de goden de gelegenheid te geven mij met iets groots en meeslepends te verrassen. Ik bedacht dan zo goed mogelijk niet waar ik heen zou gaan op mijn fiets of step. Dat is nog best moeilijk, maar ik kon het goed, en nog steeds. Zodra ik bedenk dat ik linksaf wil gaan, ga ik gauw de andere kant uit. Net zo lang totdat de impuls om een richting in te slaan ergens anders vandaan komt dan uit mijn hoofd. Denken is zinloos en dodelijk vermoeiend, vooral wanneer je het, zoals ik, erg goed kunt. Je kunt namelijk alleen maar dingen bedenken die je al weet en op die manier betreed je, al denkende, als een muis in een tredmolen steeds weer gebaande paden. Daar komt nog bij dat ik een groot vertrouwen heb in de voorzienigheid. Groot mysterie. Wakan Tanka. God, als je wilt. De schepper of schepster heeft de hele natuur zo wonderwel subliem in elkaar gezet, daar kan ik met mijn denkhoofd niet aan tippen.

Vandaar dus die gemakkelijke overgave. Als kind ging ik op de step, als tiener liftend en tegenwoordig met mijn eigen auto. Nog altijd vol verwachting en nieuwsgierigheid naar wat het leven nu weer voor leuks voor mij in petto heeft. En toch werkt het niet helemaal. Het Ene Ondeelbare wil best precies de juiste uitdagingen op mijn pad strooien, maar dan moet ik wel eerst zelf een focus hebben. Zonder dat weet onze lieve beer ook niet wat ie moet doen. Dan wordt het steeds later en rij ik nog steeds op kleine landweggetjes in een provincie waar ik de weg niet ken. Met zorgen over een slaapplek en water en geen W.C.papier. Uiteindelijk komt er altijd weer een einde aan de nacht en dan weet ik het weer : ik ga naar huis, poes aaien, bijslapen. Licht verwonderd over dat het wéér niet gebeurd is : de grote liefde tegengekomen, een gastrol in goede tijden aangeboden gekregen of het perfecte huis gevonden. En dan realiseer ik mij dat ik toch een plan had. Alsof het Nirwana niet zou weten wat goed is voor mij. Ik ga gewoon lekker naar huis, zet een muziekje op en zoek mijn potloden. Of de dobbelstenen.

Gehaktballen

Het is nog maar een kleine 40 jaar geleden dat mijn ouders altijd schaamteloos deden waar ze zelf zin in hadden. Niet dat dat voor ons kinderen een onverdeeld genoegen was. Zo herinner ik mij de autotochtjes op vrijdagavond op weg naar familie in het verre Zuid Beveland. Het was dan laat en koud, mijn ouders rookten zware Brandaris met de raampjes dicht. Achterin was het benauwd en oncomfortabel want de achterbank lieten wij thuis, dan kon er meer in de auto. Een van de genoegens van zo’n weekend was namelijk alweer een bezoek aan een rommelmarkt vol muffe, ouwe meuk waar ons huis toch al overvol mee stond. Op de heenweg zaten we dus nog op de carrosserie. Mijn zusje met een enorme braadpan vol gehaktballen op schoot, mijn moeders verrassing voor de familie. Zelf droeg ik de verantwoordelijkheid voor een plunjezak vol beddengoed. Een groot en onhandelbaar pak, maar het stonk minder erg dan de pan. Eenmaal gearriveerd kropen de volwassenen met een zucht van welbehagen achter de fles jonge jenever. Wij mochten, als we erge honger kregen, naar de patatzaak.

Ook door de week zat bij ons met enige regelmaat de huiskamer vol. Aangezien iedereen de sleutel aan de buitenkant in de voordeur had zitten kwam het bezoek zonder bellen. Ze waren dan ook vaak elders, maar soms zat de buurt bij ons, gewapend met beugelflessen Grolsch en whiskey. Die middagen liepen zelden goed af. Meestal zat er iemand aan de partner van een ander en hoewel iedereen vond dat dat moest kunnen kwamen er toch problemen van.

Mijn ouders hadden zich ontworsteld aan de spruitjeslucht van de jaren ’50 en alles was goed zolang het maar niet burgerlijk was. Hoewel ik diep jaloers kon zijn op kinderen die op tijd thuis moesten zijn of die op de padvinderij zaten kon ik ook voluit genieten van de hele zomer op blote voeten.

Wanneer de wind uit een andere hoek is gaan waaien weet ik niet.Ik constateer alleen ineens overal hekken en bordjes en rubberen tegels onder het klimrek. Wie nog rookt kan rekenen op de pek en veren van deze tijd : rücktsichtlose kritiek en een verhoogde ziektekostenpremie. Diezelfde generatie die destijds zo prettig onbekommerd op de dam lag staat nu vooraan met waggelende wijsvinger de gemeenschap terecht te wijzen. Over alles. Slordige tuintjes, fietsen zonder licht, zingen op straat en over hoe de mensen hun vuilnis buiten zetten. Als er iemand slachtoffer is geworden van een misdrijf worden wij op de nationale televisie opgehitst om de schuldigen te straffen. Zo hard mogelijk. Hoezo? Wordt het verdriet van een slachtoffer minder wanneer de dader zonder wederhoor aan de schandpaal wordt genageld? Sinds wanneer hebben we geen kritiek meer op vergelding? Het was toch een teken van beschaving dat we ons niet meer lieten leiden door primaire gevoelens als wraak en territoriumdrift?

Je hoort mij niet zeggen dat vroeger alles beter was. Dat was het niet. Maar ik vind het wel jammer dat we niet meer zelf onze eigen verantwoordelijkheid mogen nemen. En er is best veel leuks verloren gegaan : het ban-de-bom teken, de zelfgeschilderde bloemen op auto’s, mensen die om niks met elkaar muziek maken op straat en een vuur op het plein met alleen hout en geen koelkasten erop. Ik ben uiteindelijk evengoed blijmoedig groot geworden. Er had eigenlijk maar één ding echt weg gemoeten uit die tijd, maar dat is er dus nog steeds, nu in de vorm van Mac Donalds : de gehaktballen van mijn moeder.