Monthly Archives: September 2014

De geluksformule

Mijn neef heeft van alles teveel of te weinig. Hij is derhalve chronisch ongelukkig. Ondanks het feit dat hij de Geluksformule heeft toegepast. De Geluksformule? ‘Maak van de Nood een Deugd’. Ik heb het verschillende mensen zien doen, en altijd met succes. Een jammerende psychiaterszoon met hypochondrie bloeide op toen hij Jacques Brel ging zingen. Een kindvrouwtje dat alles wilde doen om in het middelpunt van de belangstelling te komen werd peuterjuf. Voorbeelden van mensen die hun nare eigenschappen omzetten in iets waar de wereld, en zijzelf dus ook, iets aan heeft.

De neef in kwestie is vreselijk autistisch, beschikt over een stuitend hoog IQ en het ontbreekt hem aan belangstelling voor ongeveer alles, behalve zijn computer. Derhalve ontwikkelde hij een besturingssysteem dat over de hele wereld dankbaar gebruikt wordt. Hij reist naar Canada en Praag om nerds als hijzelf uitleg te geven. Niet dat het hem iets uitmaakt waar hij is, zolang het maar beschikt over een internetverbinding.

Zijns ondanks heeft mijn neef een heleboel kinderen gekregen, ik denk dat hij zelf ook niet precies weet hoe hij daaraan gekomen is. Zelf begrijp ik dat wel. De vrouw van mijn neef is voortvarend en weet wat ze wil. Hij is niet erg gelukkig met zijn gaven, noch met zijn gezin. Fysiek is hij wel in staat tot spreken, maar hij doet het bijna nooit.

Nou heb ik uitgerekend hém in de arm genomen bij het opvangen van mijn digitale onbenulligheid. ‘Hij is lekker knap in dit alles’ moet ik gedacht hebben. Het is zoiets als een astronaut raadplegen als je wilt leren vliegeren. Een aardige astronaut, dat moet gezegd. Als ik tegen hem uitval klapt hij netjes dicht in plaats van me van repliek te dienen, hoewel dat laatste wellicht leerzamer zou zijn. Als ik de Geluksformule nu eens op mezelf toepas? Dan schrijf ik mijn stukjes met een pen en word daarnaast stand-up comedian, of bokser, of voetbalcoach.

Kanaalzicht

Een tent als deze mijd ik in mijn huidige woonplaats. Te ordinair, te luid, te donker. Maar hier kom ik er graag, om het dialect te horen dat ik uitstekend beheers, maar wat ik vroeger niet mocht spreken. Dan zouden de mensen denken dat ik een verwaarloosd achterbuurtkind was, wat goed beschouwd wel klopte. Kennelijk gaven wij desondanks om decorum, in elk geval qua taalgebruik.

En dat terwijl het Utrechts echt mooi is. Als je Utrechts hoort weet je zeker dat de spreker het hart op de tong heeft. Een bezwaard hart, in veel gevallen. Geen taal waarin het zo goed vloeken is, zelfs wanneer men het vriendelijk bedoelt. Zo weet je zeker dat je erbij mag horen als iemand “mongool” tegen je zegt. Dat is niks ten nadele van mensen met het down-syndroom, gewoon een koosnaam, een codewoord. In Groningen steken ze bijna onmerkbaar een halve wijsvinger omhoog om hetzelfde te zeggen. In Amsterdam weet je het nooit en in Nijmegen word je gewoon genegeerd. Ik heb de regionale verschillen terdege bestudeerd, mede door mijn onhebbelijke gewoonte om telkens te verhuizen naar weer een andere plek waar ik niets te zoeken heb.

Momenteel bewoon ik een kleine stad in het oosten van het land. Ik neem er grofweg 2 bevolkingsgroepen waar : de erudieten en de onverschilligen. Voor beide is er een passende uitspanning. In die voor de erudieten wordt beschaafd en op fluistertoon geconverseerd door mensen in pak of met bergschoenen. In die voor de onverschilligen wordt gezwegen boven glazen doodgeslagen bier en koud geworden bitterballen.

Hier in Kanaalzicht mag je je met iedereen bemoeien. Het gaat vooral over hoe het was en wie dat heeft meegemaakt. De grootste snor weet dat het beste, maar ik kom hier al langer dan hij. Supermongool!

Fee

“Nee Fee! De laatste hap komt nu naar jou toe. Nee!! Wat zég ik nou, geen patat meer voor jou. Schiet op. Neem deze hap. Nog één slok. Nee. Nu is het klaar. Wat zeg ik nou? Je bent nu klaar Fee!” Bij elke one-liner van de moeder gaat het kleine, donkere meisje wat verder onderuit hangen. Met haar mond mikt ze op het rietje dat uit de geinige beker steekt, maar haar moeder is haar voor. “Rechtop zitten Fee, je hebt wat in je mond.” en ze rukt de beker weg.

Het lijkt erop dat alles op tafel wat Fee lekker vindt verboden terrein voor haar is, maar waarom staat het er dan? Ik vraag het mij met haar af. Het kind blijft bewonderenswaardig kalm. Behoorlijk indrukwekkend, aangezien ze roodverhit in de zon op een terras bij een soort kinderparadijs zit, met patatjes dus, iets lekkers in die beker, alweer een hap nare sla die als garnituur heeft gediend en dan die pinnige moeder. Er is een vriendin bij de moeder met wie ze (de moeder, niet Fee) tussen het snauwen door een conversatie voert op de vriendelijke toon die blijkbaar is voorbehouden aan volwassenen.

Op de glijbaan van het speeltuintje voor de deur zoeft keer op keer een dikkig roze jongetje naar beneden. Op het springkussen zijn 3 kinderen. Het is een groot bobbelig kussen in veel kleuren en er is een klein deurtje voor zodat alleen kinderen erop kunnen. Grote lummels kunnen er niet door. De drie springers hebben zulke rode hoofden dat ik vrees voor een ontploffing. De verhitte kopjes komen telkens even boven de rand van de omheining rond het kussen uit. Het geheel oefent een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op iedereen onder de 10, ook op Fee. Maar Fee mag niet.

Dan gaat de moeder pinnen. “Even mijn slippertjes halen” fluistert Fee tegen de vriendin van mama, en krijgt toestemming. Fee weet wanneer ze gewonnen heeft en schrijdt als een kleine koningin naar het begerenswaardige kussen. De slippertjes negeert ze, en ze duikt zonder achterom te kijken op het verende kinderparadijs. De moeder is vergeten. Haar “Kom nu! Wij gaan weg hoor Fee!!” wordt niet meer gehoord. Met een gelukzalige glimlach en vliegende vlechtjes boink-boinkt Fee mee met de anderen in het springparadijs. Laat mama maar eventjes wachten.

Radio 1

Onze nationale nieuws- en sportzender beschikt deze dagen over meer tijd dan onderwerpen, zo lijkt het. Voetbal, Paralympics en Tour de France zijn afgelopen. De lichamen van de mensen die in de MH17 zaten zijn nog altijd niet allemaal teruggevonden en/of geïdentificeerd en ze kunnen natuurlijk ook niet de hele dag hetzelfde herhalen. Zo ontstaat er ruimte voor minder prangende zaken. Ik mag daar graag naar luisteren, vooral wanneer ik in de auto zit.

Zo vernam ik het volgende : In Flevoland zijn de nieuwe brandweerwagens hoger dan de deur van hun kazerne. Ze willen geld van de provincie om hun kazerne hoger te maken. Huh?! Er is hier dus niet alleen sprake van een riante miskoop, maar de verantwoordelijke minkukel in deze, die te beroerd was even met de rolmaat langs de aan te schaffen wagens te gaan,  probeert zich er op een schooljongensmanier uit te bluffen. “Wie maakt er dan ook zulke lage garagedeuren in de brandweerkazerne?” Hij krijgt vast zijn zin en we horen er nooit meer iets van.

Nog zo’n nieuwtje : In de Apenheul is een zeldzaam aapje geboren. Van een apensoort waar er nog maar heel weinig van zijn. Er was lekker veel tijd voor dit onderwerp. Gelukig maar, want het is een heel verhaal, over de nieuwgeborene en zijn stamsoort. Op de vraag van de interviewer over hoe het komt dat er zo weinig van zijn, van deze aapjes, volgde een antwoord dat mij nu al een week intrigeert. Het beestje in kwestie legt 1 jong per keer. Dat is niet vreemd, mensenbaby’s komen ook heel vaak met 1 tegelijk. Maar goed, dat is kwetsbaar, temeer omdat deze aapjes louter en alleen op Madagaskar voorkomen. Madagaskar is een eiland. De aapjes kunnen er niet af. Behalve dan om naar de Apenheul te gaan, maar daar ging het item verder niet over. Babyaapjes dus op Madagaskar. Die moeten daar leren wat aapjes moeten leren. Klimmen. En van boom naar boom springen. Nou schijnen er op Madagaskar bomen te groeien, precies díe bomen waar die aapjes in leren springen en klimmen, en precies díe bomen schijnen heel gemene stekels te hebben. Daar springt zo’n oefenende baby dan kennelijk best wel vaak precies bovenop, om daarna te overlijden aan zijn verwondingen.

Ik heb moeite om dat te geloven. Zoiets zou de natuur niet verzinnen. Zó stom is voorbehouden aan de wagenparkbeheerder van de brandweer in Flevoland, lijkt mij.

Crematie

“Hee, kende jij Christel ook?” De kleine huiskamer van wijlen mevrouw Groeneweg zit tamelijk vol met mensen. Ze zitten in een kringetje, als op een ongezellig verjaarsfeest. Een flink aantal lange jongens van wie de ledematen te slungelig zijn voor de kleine stoeltjes, aan de ene kant van de kamer. De rest van het gezelschap bestaat voornamelijk uit dorpsgenoten die elkaar hier niet hadden verwacht. Christel was goed geweest in mensen het gevoel geven dat zij de enige waren op wie ze een beroep kon doen. Een heel legertje goedwillenden die voor haar gekookt, gepoetst en geboodschapt hadden.

Een select groepje is ingeschakeld geweest bij haar alternatieve kankerbestrijdingsplan, iets met hasjolie en 24-uurszorg. Dat plan werkte niet naar verwachting zodat de kanker, net als bij veel mensen onder wetenschappelijk medische behandeling, uiteindelijk haar hele lichaam heeft opgegeten.

De mannen van de uitvaartverzorging trekken bekijks. Ze zien er dan ook uit alsof ze geknipt zijn voor deze ernstige functie. Van geen van hen kan ik me voorstellen dat ze ook wel eens iets anders doen. Met z’n drieën dragen ze, nauwelijks plechtig, de kist in de zwarte auto. De draperieën voor rond de kist mogen in mijn slordige achterbak. In dit geval bestaande uit een boel instrumenten en een serie zelfgeplukte veldboeketten. Gelukkig ook een echt wit lint met ‘Rust Zacht’ erop

Er zijn wel vaker mensen uit mijn omgeving doodgegaan. Op de bijbehorende plechtigheid ontstond dan meestal een soort apenrotsgedoe : wie had de overledene het meest nagestaan? Die zit of staat vooraan en wordt door de anderen met enige eerbied omgeven. Zo niet bij de crematie van Christel. Ogenschijnlijk is iedereen even na of ver weg en de gesprekken gaan vooral over hoe onheus en onaardig de aanwezigen bejegend zijn door Christel, bij leven. En toch! Iedereen is er. De zoon wordt aan alle kanten bijgestaan door lieden die praktischer zijn dan hij. Een zwanger hippiemeisje en haar vriend spelen mantra’s op harmonium en gitaar, het laatste lied mogen we meezingen. Het up-tempo van deze mantra is wat ongepast, temeer omdat de meesten het niet kunnen bijhouden met zingen. Maar afijn, we zingen, en halleluja doet het altijd goed.

Jonah, die bij ons een boerderij beheert, zegt dat ze blij is dat ze in januari al afscheid heeft genomen, en dat ze niet verdrietig is. Zij is niet voor niets boerin en had weinig op met het gedachtegoed van Christel. “Christel geloofde niet dat de dood het einde is”spreekt de spreker. “Dus terwijl het voor ons een afscheid is, is er ergens anders een nieuw begin” Jonah vindt dat onzin. Peter meent dat dit nu eenmaal de worst is die ons bij de dood wordt voorgehouden. Helemaal niet plechtig. Wel lief, eerlijk, muzikaal en ook broederlijk.

Pleintje

Ineens ben ik terug in de stad waar ik iets met Meindert begon. Wat dat iets inhield is ongedefinieerd gebleven. Maar feit is dat ik mij op een wolk van onverwacht geluk liet meetrekken door de mij onbekende straten. Er was iets feestelijks gaande, zodat iedereen op straat was en naar mij lachte. Ik wilde wel terug lachen, misschien een zorgeloos praatje maken, maar Meindert trok mij doelgericht voort. Met een vaartje, zodat ik steeds struikelde op mijn iets te hoge hakken over de pittoresk hobbelige straatsteentjes die deze stad een lichte Anton Pieckzweem geven.

Wat wist ik toen nog weinig van Meindert! Niet dat hij graag spulen spaart en in stenen handelt. Niet dat hij graag korting pakt en handel drijft. Daar uitermate gewiekst in is. Met nimmer aflatende vlijt ouwe rommel vindt, repareert, doorverkoopt. En dat dat vaartje zijn gewone tred is. Voortgedreven door een eindeloze reeks doelen die immer in het verschiet liggen en nooit in het hier en nu plaatsvinden.

Ik heb hier nu niets te zoeken. Of eigenlijk wel : zoiets als het doel van mijn leven en wie ik nu eigenlijk echt ben. Maar daarvoor hoef ik niet hier te zijn. Toch ben ik hier, aangewaaid. De zon schijnt weer, al is het al november. Doelloos dwaal ik en vind een pleintje terug van toen. Het pleintje is ervoor gemaakt. Stelletjes kletsen en lachen met elkaar. Sommigen zoenen in het gras. Zo hoort het eigenlijk, Meindert!

Mode

Het ontgaat mij meestal volledig wat er in, hot of hip is op enig moment. Dat had ik vroeger al. Ik herinner me de verbazing toen op een dag vrijwel iedereen  met een springtouw op school kwam. Hoe wísten ze dat? Dat het vandaag springtouwdag was? Waar is toch die geheimzinnige informatiebron die maakt dat men precies op tijd met elkaar hetzelfde heeft of doet? Overigens heb ik er weinig hinder van. Ik vermaak me meestal toch wel en ik draag ook altijd kleren.

En er gaat wel meer aan mij voorbij. Kinderen heb ik bijvoorbeeld nooit gekregen, zodat ik oprecht twijfel aan het algemeen aangenomen idee dat geslachtsgemeenschap bij vrouwen tot zwangerschap kan leiden. Maar dit terzijde.

Ik bevind me in niemandsland. Het oude ligt achter me en het nieuwe moet nog komen. Dat het nieuwe niet persee te vinden hoeft te zijn in mijn slaperige dorpje met de opgebroken straten is me bekend. Vandaar dat ik enigszins doelloos en tijdloos ronddwaal op plekken waar ik niets te zoeken heb behalve mijzelf. De koude wind doet mijn neus lopen, ik stap door onbekende straten. En, hee, vooruit, een avontuur voor iemand uit de provincie, ook door de winkelstraten van de stad. En stap eens binnen, hier en daar. Een vaag verlangen naar bosgroene laarsjes, waarin ik op een elfje leek  maar die me ontstolen zijn, drijft me de winkels binnen.

En ik sta paf. Om te beginnen heeft elke schoenenwinkel precies hetzelfde aanbod als de vorige. Nergens mijn boslaarsjes. Wel, in alle kleuren, een soort idiote klompvoeten. Ze zien eruit alsof je, wanneer je die aantrekt, je meteen zo zal voelen als iemand die ongelukkigerwijs verkeerd gegroeid is. En daarom zo’n schoen aanmoet. Lompe, korte neus, rare hak, nagenoeg geen vorm. Is dit solidariteit? Een misplaatste grap? Welke gek bedenkt zoiets? Het is algemeen bekend dat hoge hakken een crime zijn om op te lopen. Dat heb je er hooguit voor over om graag sexy of elegant te zijn. Maar wat is in godsnaam het nut van hoge hakken onder een klompvoet? Wel de lasten, niet de lusten, lijkt mij dan.

Nee, mode is onbegrijpelijk, onbetaalbaar en hogelijk onhandig. Maar met z’n allen iets doen maakt alles dragelijk. Ook springtouwen is alleen maar leuk als je met een heleboel bent.

Kapper

Bij de kapper kom ik niet graag. Dat komt omdat de dienstdoende meisjes, steevast zelf met haar waar ik met carnaval nog  niet mee gezien zou willen worden, altijd erg misprijzend zijn over het mijne. De haarschubben staan open, mijn haar is gebroken, en nog meer erge dingen die ik niet onthouden kan. Ik heb er niet goed voor gezorgd. En dan moet ik een product. Een duur product.

Commercie gaat sinds jaar en dag over het iemand een probleem aanpraten waarvan hij niet wist dat hij het had. De schrik moet er goed inzitten. Vervolgens biedt je het slachtoffer een oplossing voor het probleem aan. Even in de buidel tasten, maar dan heb je ook wat. De oplossing voor een probleem waar je nog nooit eerder last van had. Tot zover prima. Als het daarbij zou blijven. Mensen die hardnekkig vasthouden aan hun onwetende geluk hebben recht op vrijstelling, vind ik.

Zo niet het kappersmeisje. Ik durf dan ook niet te zeggen dat ik afzie van de aanschaf van hun product zolang ze nog niet klaar is met mij knippen. Ik ben echt bang dat ze een rattenhoofd zal maken. En zal verklaren dat dat komt omdat ik het product niet wil. Dus veins ik mij overwegende zolang de behandeling duurt.

Dan vraagt ze mij “wat ik wil.” Dat is onzin. Wat ik wil. Wat ik wil? Een dikke paardenstaart tot op mijn billen! Maar dat zeg ik niet. In plaats daarvan vraag ik advies. Dan gaat het meisje los. Over laagjes en scheidingen. En, als ze eenmaal bezig is, blijmoedig over de televisie, de mode, haar vriendje. Ze schuift met speldjes en prikt met de schaar. Praat verder : het weer, de damesbladen, de zaak, wat ik doe voor de kost en voor ik kan antwoorden van ‘nee, niet bewegen, anders ga ik scheef.’ Er zijn denk ik een heleboel dingen waar zij geen weet van heeft.

Small step for mankind

Zelf vind ik mij enorm zelfstandig. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat ik bij niemand in het krijt sta. Ik reisde de wereld over, alleen, en ik neem de verantwoordelijkheid voor wat ik doe, ja, zelfs voor wat ik denk! Terwijl ik vaak dingen denk waar ik helemaal niet achter kan staan. Als het even kan verzin ik werkzaamheden voor mijzelf waar een ander ook nog iets aan heeft. Heel zelfstandig dus, zij het niet op ieder gebied.

Zodra het over materie gaat verander ik in een hulpeloos wezen met twee linkerhanden. Vooral wanneer het materie betreft met een stekker eraan. Of met een motor erin. Of beide. Zoiets merk ik bijna nooit. Het komt pas aan de orde wanneer een ding het niet meer doet.

Mijn vaste strategie is dan in de eerste instantie die van de struisvogel. Ik haal de stekker eruit, ga iets anders doen en vergeet het hele ding. Na verloop van tijd, en dat kan rustig een dag of wat later zijn, steek ik de stekker weer in het stopcontact en verwacht dan dat het ding zichzelf in de tussentijd gemaakt heeft. Soms is dat niet zo. Dan dringt het langzaam tot me door dat er Iets Moet Gebeuren.

Stap 2 is de telefoon pakken en heel hard :”Hulpeloos!!” roepen tegen degene die aan de andere kant van de lijn de telefoon oppakt. Deze strategie heb ik van mijn moeder, die er doorgaans veel succes mee heeft. Maar zij gelooft er dan ook in. Ik slaag veel minder goed in het dusdanig warrig uitleggen dat de ander meteen in een voertuig stapt om mij te komen redden.

Stap 2 leidt meestal wel tot een telefonisch consult. Mijn vrienden vragen dan zoiets als :”Komt er water uit de kraan?” “Dat wéét ik niet, hoor ik mezelf dan jammeren. Tegen de tijd dat ik me begin te realiseren dat stap 2 kan leiden tot  verlies van gevoel voor eigenwaarde ging ik tot nu toe steevast over tot stap 3.

Stap 3 is het hele ding wegflikkeren en een nieuwe kopen. Eentje die het wel doet. Maar hee, het is 2014, en crisis, en dit keer gaat het over de wasmachine. Da’s een duur ding. Zo komt het dat ik deze week voor het eerst overging tot het zetten van een nieuwe, vierde stap : Probleem aanpakken.

Gereedschap! Nadenken! Openschroeven, dweilen, onthouden wat ik in welke volgorde demonteer, alle dingetjes bewaren, niks overhouden bij het terugschroeven. En victorie!! Hij doet het weer. Centrifugeren, wassen, spoelen, alles.

Hij maakt alleen een nieuw geluid wat hij eerst niet maakte, maar daar zit ik niet mee. Ik begin gewoon weer bij stap 1 als het nodig is.

Obstructie

Lompe betonblokken aan het eind van iedere straat. Tot hoog op het heuveltje, want de bewoners van Hopakker, Dopheide en Terwinde zijn hogelijk geagiteerd en geneigd tot het nemen van hondenuitlaatplaatsen en voetpaden om hun weg toch te kunnen vervolgen.

Op de enige mogelijke weg naar buiten, via een poortje, nu voorzien van een eenrichtingverkeersbord, is iemand met een geel jasje aan gestationeerd. Het is iemand van ‘Breed’. Mijn buurvrouw werkt ook voor Breed. ” Dat is een organisatie die werk heeft voor mensen met een verstandelijke beperking”, aldus mijn buurvrouw.

Beperking of niet, de dienstdoende gelegenheidsverkeersagent krijgt de volle woedende laag over zich heen. En vragen ook. “Waarom toch die betonblokken?””Waarom niet hier of daar een paaltje uit de grond getrokken?” Wij weten het allemaal beter.

De Breedverkeersmeneer niet. Die kijkt van ‘help-mij-nou’ en ‘ik-kan-er-niks-aan-doen’. Bij gebrek aan zichtbare autoriteit moet hij heel moeilijke dingen doen. En dat kan hij niet. Hij is niet voor niets van Breed.

Wij hebben wel een brief gekregen. Maar daar stond het meeste niet in. Bijvoorbeeld iets over hoe je dit vermaledijde dorp UIT kunt komen. Er was een vermelding over de knullige kluun-oplossing naar het dorp toe. Eruit kan alleen door dezelfde weg te nemen, langs de Breedmeneer, tegen het verkeer in. Hij is vast niet opsporingsbevoegd.

Het dorp rijdt nu, massaal burgerlijk ongehoorzaam om de wanhopige jongeman heen. Met zijn hand bevroren in de lucht, zo moet het stopteken, wordt hij links en rechts gepasseerd door auto’s die zich in het poortje vastrijden tegen de voorbumper van een legale tegenligger. Ik breng de Breedmeneer een biertje.